Vragen stellen 2

Met de 5 W-woorden kun je vragen stellen: wie, wat, waar, wanneer, waarom.

Er zijn nog andere vraagwoorden, zoals hoe en hoeveel.

Wie is dit?
Dit is de koning.
Wat is dit?
Dit is een bril.
Waar woon jij?
Ik woon in Amsterdam.
Wanneer komt u?
Ik kom volgende week.
Waarom huil je?
Omdat ik pijn heb.